Agrarisch nieuws: Maart 2020

Onderweegs & De Groot informeert u graag. Op deze pagina vindt u diverse agrarische nieuwsberichten, die wij met zorg voor u hebben geselecteerd. Heeft u naar aanleiding van deze agrarische nieuwsberichten nog vragen? Neem dan gerust contact op met onze adviseurs. Zij helpen u graag verder.

Ontvangt u de nieuwsbrief liever in PDF? Gebruik dan deze link

De belangrijkste wijzigingen in en rondom de Gecom­bineerde op­gave 2020 zijn:

  • Wijziging systeem vervallen betalingsrechten;
  • In Zuid-Limburg vervalt de regel dat landbouwers een waterbuffer moeten aanleggen bij ondiep ploe­gen van percelen op hellingen. Erosiebeperkende maatregelen moeten voor 1 februari gemeld wor­den bij de LLTB;
  • Aanscherping beleid fosfaatdifferentiatie;
  • Wijziging blokkerende zeggenschap jonge land­bouwer;
  • Aanpassing brede weersverzekering (lagere scha­dedrempel en vervallen assurantiebelasting);
  • Aanscherping beleid ten aanzien van uitbetaling betalingsrechten bij bedrijfsovernames;
  • Sanctie graasdierpremie bij herstelmelding I&R na 1 januari 2020;
  • Het EA-pakket Veldleeuwerik is vervallen;
  • Sanctie bij onterechte aanvraag betalingsrechten uit Nationale reserve;
  • Er wordt informatie gevraagd over de productie en verwerking van melk in het kalenderjaar 2019;
  • Extra vragen in de opgave voor de Europese Land­bouwtelling, met name over algemene bedrijfsge­ge­vens, huisvesting van dieren, het uitrijden van mest en de opslag daarvan;
  • Indien bankrekeningnummer niet bekend is, kan dit leiden tot afwijzing uitbetaling betalingsrechten;
  • Het gebruik van Internet Explorer als browser is niet meer mogelijk.

Belangrijke aandachtspunten bij de perceelregistratie zijn:

Wie geeft de grond op?

Bij het (incidenteel) ter beschikking stellen van percelen aan derden voor de teelt van een bepaald gewas, rijst vaak de vraag wie het perceel moet opgeven in de Gecombineerde opgave. Dat is diegene die bepaalt wanneer en welke teelthandelingen op het perceel plaatsvinden. Dit is meestal de teler en niet de ver­huur­der.

Wel landbouwactiviteiten, geen landbouwgrond

Om betalingsrechten op een perceel grond uitbetaald te krijgen, is het onvoldoende dat het perceel wordt ge­bruikt voor landbouwactiviteiten, bijvoorbeeld be­weiding. De grond moet tevens landbouwareaal zijn.

Grasland behoort tot landbouwareaal indien de natuur­lijke of ingezaaide vegetatie voor meer dan 50% be­staat uit grassen en/of andere kruidachtige voederge­wassen. Verwacht u discussie, verzamel dan tijdig be­wijs dat wel aan de voorwaarden wordt voldaan, bij­voor­beeld door het maken van foto’s. Achteraf nog bewijs verzamelen, is vaak lastig.

Primaire waterkeringen

Wanneer een primaire waterkering gebruikt wordt voor landbouwactiviteiten en begroeid is met gras, moet dit apart opgegeven worden in de Gecombineerde opga­ve. Dit is noodzakelijk, omdat er voorwaarden zijn voor beweiden, bemesten en maaien op de waterkering. Dit betekent dat deze grond eigenlijk niet tot de opper­vlak­te landbouwgrond van het bedrijf behoort, omdat men niet de feitelijke beschikkingsmacht heeft.

De oppervlakte van de waterkering telt in principe niet mee voor de derogatie en de 80%-graslandeis, maar wel voor aangepaste gebruiksnormen en de mestver­werkingsplicht.

Op 1 januari 2016 is de Wet Basisregistratie Groot­schalige Topografie (BGT) in werking getreden. De BGT is de (digitale) gedetailleerde grootschalige ba­siskaart van heel Nederland met topografische gren­zen van alle fysieke objecten in Nederland, waaronder ook de grenzen van landbouwpercelen.

Inmiddels is een aanvang gemaakt met de gefaseerde implementatie van de BGT in de RVO-referentieperce­len (beter bekend als AAN-laag). In 2019 is een eerste groep van landbouwers (Noord-Nederland) uitgeno­digd voor een zogenoemde BGT-check. Hierbij legde RVO hen de perceelgrenzen voor, zoals die op basis van de BGT vastgesteld waren. Het is de bedoeling dat eind 2021 alle perceelgrenzen in de BGT-kaart staan.

Het huidige GLB-beleid duurt tot en met 2020. Hierna begint een overgangsperiode tot het nieuwe GLB. Het is nog niet bekend wanneer het nieuwe GLB begint. Wel is duidelijk dat de betalingsrechten in ieder geval in 2021 blijven bestaan.

Het beleid ten aanzien van de uitbetaling bij bedrijfsoverdrachten is aangescherpt. Leidend is dat de aan­vrager op zowel het moment van indiening van de aan­vraag als op 15 mei als actieve landbouwer gere­gistreerd moet zijn bij de Kamer van Koophandel en bij RVO.

Voorbeeld

Datum indiening opgave:                              1 mei 2020

Opgave door:                                                  overdrager

Datum opheffing onderneming bij KvK:   5 mei 2020

Datum registratie opheffing bij KvK:         1 juli 2020

Datum oprichting onderneming bij KvK:  1 juni 2020

Datum registratie oprichting bij KvK:        1 juli 2020

Datum ontvangst melding overdracht:     2 juli 2020

Datum overdracht:                                      5 mei 2020

Er vindt in dit voorbeeld geen uitbetaling plaats, omdat zowel de aanvrager als de overnemer op 15 mei geen actieve landbouwer is.

Het bedrijf van de overnemer moet volgens de KvK-inschrijving uiterlijk zijn opgericht op de datum van de overdracht (dus op 5 mei 2020 in bovenstaand voor­beeld).

Advies

Veiligheidshalve is het raadzaam bedrijfsoverdrachten voor 15 mei volledig af te ronden (registratie bij KvK en melding overdracht aan RVO) en de Gecombineer­de opgave op naam van de overnemer in te dienen.

Melding overdracht en mestwetgeving

Voor de mestwetgeving moet de bedrijfsoverdracht binnen 31 dagen geschieden.

In 2020 kunnen de volgende categorieën landbouwers via de Gecombineerde opgave betalingsrechten aan­vra­gen uit de Nationale reserve:

  1. Jonge landbouwers;
  2. Startende landbouwers;
  3. Landbouwers die in 2015 90 dagen of langer geen landbouwactiviteiten konden ontplooien op perce­len vanwege de aanleg van openbare werken of nutsvoorzieningen. Op deze percelen mogen niet eerder betalingsrechten zijn toegewezen. Bewijs­stukken moeten uiterlijk 15 mei via ‘Digitaal post versturen’ naar RVO.nl gestuurd worden;
  4. Landbouwers die hebben meegedaan aan de set-aside regeling en deze grond weer als landbouw­grond in gebruik hebben genomen.

Sanctie onterechte aanvraag
Wanneer men betalingsrechten uit de Nationale Re­ser­ve (NR) aanvraagt en hiervoor niet-subsidiabele grond opgeeft, krijgt men, behalve geen rechten, ook een sanctie op de basisbetaling voor de niet-subsidia­bele oppervlakte. Dit gebeurt ook als niet aan de voor­waarden voor NR-rechten wordt voldaan, bijvoorbeeld als het bewijs niet of te laat wordt opgestuurd of er een te grote oppervlakte voor NR-rechten voor algemeen belang is opgegeven.

Perceel splitsen
Wanneer een deel van een perceel is gebruikt voor open­bare werken of nutsvoorzieningen en nu weer in gebruik is als landbouwgrond, kan men alleen voor dat deel betalingsrechten uit de Nationale reserve voor al­gemeen belang krijgen. Het perceel zal dan gesplitst moeten worden (uiterlijk 15 mei 2020).

Er worden geen betalingsrechten uit de Nationale re­serve toegekend als de subsidiabele oppervlakte land­bouwgrond waarop nog geen rechten zijn toegekend, minder dan 0,30 hectare is. Bij jonge landbouwers en starters wordt hierbij uitgegaan van het aantal ‘vrije hec­tares’. Dit wordt bepaald door het geconstateerde aantal hectares subsidiabele landbouwgrond te ver­min­deren met:

  • de totale betalingsrechten in eigendom op 15 mei 2020 of, als dit hoger is, het aantal betalingsrech­ten bij de eerste toekenning in 2015, en
  • eventuele gehuurde betalingsrechten op 15 mei 2020.

Bij de categorieën 3 en 4 moet men in de Gecombi­neerde opgave aangeven om welke percelen het gaat.

Per 1 januari 2020 is een wijziging aangebracht in de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse beta­lin­gen GLB ten aanzien van de blokkerende zeggen­schap van jonge landbouwers. Dit is van belang voor de extra hectarebetaling en de aanvraag van beta­lingsrechten uit de Nationale Reserve.

Huidige regeling
In de huidige regeling staat dat de blokkerende zeg­genschap uiterlijk op 15 mei van het eerste jaar waarin de jonge landbouwer een aanvraag indient is verkre­gen en staat geregistreerd in het Handelsregister. De juistheid van de registratie moet men desgevraagd kunnen aantonen met statuten of overeenkomsten.

Nieuwe regeling per 1 januari 2020
Volgens de nieuwe regeling moet de blokkerende zeggenschap uiterlijk op 15 mei van het eerste jaar waarin de jonge landbouwer een aanvraag indient zijn verkregen. Dit kan worden aangetoond met statuten, overeenkomsten of de registratie van de blokkerende zeggenschap in het handelsregister. Ongewijzigd blijft de eis dat de juistheid van de registratie in het han­dels­register, desgevraagd, steeds moet kunnen wor­den aangetoond met een akte, overeenkomst of sta­tuten.

 

Tip      Voor de GLB-subsidies is registratie van de blokkerende zeggenschap bij de Kamer van Koophandel niet meer verplicht. Het is echter verstandig dit wel te doen.

In voorgaande jaren kwamen individuele betalings­rech­ten te vervallen wanneer deze twee jaar achter­een niet benut waren. Door de rechten om de beurt te benutten, werd het vervallen zoveel mogelijk voorko­men.

Vanaf 2020 vervallen betalingsrechten wanneer een landbouwer twee opeenvolgende jaren over meer be­talingsrechten beschikt dan hij opgeeft aan subsidia­bele hectares. Daarbij vervallen eerst de niet verhuur­de rechten in eigendom en pas daarna eventueel ge­huurde rechten.

Tip: kon u in 2019 niet alle rechten benutten en in 2020 wederom niet? Overweeg dan om de over­tollige rechten te verhuren of te verkopen. Dit moet uiterlijk 15 mei gemeld worden bij RVO.nl.

In de Gecombineerde opgave wordt bij melkveebedrij­ven gevraagd hoe hoog de totale melkproductie in 2019 was. Reden hiervoor is dat RVO.nl bij controles inzake de naleving van de Meststoffenwet uitgaat van de geproduceerde hoeveel­heid melk (en dus niet de ge­leverde hoeveelheid). Bij de geproduceerde hoe­veel­heid melk gaat het bijvoorbeeld om:

  • melk geleverd aan de zuivelfabriek;
  • melk voor de kalveren;
  • antibioticamelk;
  • melk voor eigen gebruik;
  • melk die verkocht wordt aan niet-zuivelbedrijven;
  • melk die verwerkt wordt tot bijv. kaas.

In de mestboekhouding is vaak alleen rekening gehou­den met de geleverde hoeveelheid melk. Wanneer wel rekening wordt gehouden met de niet-geleverde melk kan dit leiden tot een overschrijding van de beschik­ba­re fosfaatrechten, een overschrijding van de gebruiks­normen en/of het niet voldoen aan de mestverwer­kings­plicht. Bovendien komt bij overschrijding van de gebruiksnormen de derogatie automatisch te verval­len.

Gronden als heide, duinen en kwelders tellen niet mee als subsidiabele landbouwgrond. Wanneer deze gron­den worden begraasd door schapen of vrouwelijk vlees­­vee, kan men via de Gecombineerde opgave de graasdierpremie aanvragen.

Voorwaarden
De graasdierpremie is niet gekoppeld aan betalings­rechten en kan dus los aangevraagd worden. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:

  • Er is sprake van een actieve landbouwer;
  • De schapen moeten voor 2020 zijn geboren;
  • Vrouwelijke vleesrunderen moeten op 15 oktober 2020 minimaal twee jaar zijn. Men kan pas subsi­die voor een dier krijgen vanaf het moment dat het dier twee jaar is;
  • De dieren moeten op 15 mei 2020 op het bedrijf aanwezig zijn;
  • De dieren moeten uiterlijk op 15 mei 2020 correct geregistreerd staan in I&R. Men is ook verantwoor­delijk voor de I&R-registratie van voordat men hou­der was. Er wordt een sanctie opgelegd voor die­ren waarvoor tussen 1 januari en 15 mei 2020 een herstelmelding wordt gedaan buiten de herstelter­mijn;
  • De dieren grazen extensief van 15 mei tot en met 15 oktober aaneengesloten op niet-subsidiabele grond. Dieren mogen tijdelijk ergens anders naar­toe gebracht worden als dit voor de bedrijfsvoering nodig is (bijv. voor scheren of inenten dieren).

Om aan de vergroeningseis ‘ecologisch aandachts­gebied’ te voldoen, kan men kiezen voor de teelt van vanggewassen. Een vanggewas is daarnaast verplicht na de teelt van maïs op zand- en lössgrond. Daarbij gelden verschillende voorwaarden.

EA-vanggewassen
Het vanggewas moet in dit geval uiterlijk 15 oktober worden ingezaaid en minimaal acht weken in stand worden gehouden.

Vanggewas na maïs op zand- en lössgrond
Er zijn drie mogelijkheden om aan deze verplichting te voldoen:

  • direct aansluitend aan de teelt van maïs en uiterlijk op 1 oktober wordt een vanggewas geteeld. Toe­ge­staan zijn: bladkool, bladrammenas, gras, Ja­pan­se haver, triticale, winterrogge, wintertarwe en wintergerst;
  • onderzaai van gras kort na het zaaien van de maïs. Hierdoor is ook oogst na 1 oktober mogelijk;
  • uiterlijk op 31 oktober wordt een wintergraan inge­zaaid, welke het volgende jaar als hoofdteelt wordt ingezet. Dit moet vóór 1 oktober gemeld worden bij RVO.nl. Toegestane gewassen: spelt, triticale, win­terrogge, wintertarwe en wintergerst.

Voor alle biologisch geteelde maïs en voor op gang­bare wijze geteelde suikermaïs, CCM, korrelmaïs en MKS geldt dat het vanggewas uiterlijk op 31 oktober moet worden gezaaid, mits er spelt, triticale, winter­rogge, wintertarwe of wintergerst wordt geteeld.

Welke soort maïs wordt geteeld, hangt niet af van de opgegeven gewascode, maar van de feitelijke situatie.

Gras als vanggewas
Wanneer er gras is ingezaaid als vanggewas, mag dit gebruikt worden als veevoer door beweiding of maaien. Men moet zich dan wel houden aan de regels voor het scheuren van grasland. Dit betekent meestal dat nadien een stikstofbehoeftig gewas geteeld moet worden. Niet toegestaan zijn dan onder meer: erwten, luzerne en zomergerst.

Als het gras gebruikt wordt als veevoer, ziet RVO dit vanaf 1 februari van het volgende kalenderjaar als tijdelijk grasland. Als het gras van 15 april tot en met 15 oktober onafgebroken blijft staan, moet gerekend worden met de stikstofgebruiksnorm voor tijdelijk gras­land. In de Gecombineerde opgave moet dit opgege­ven worden met gewascode 266.

Vanaf 1 februari mag ook een ander gewas gezaaid worden als hoofdteelt voor dat jaar als het vanggewas niet als grasland wordt gebruikt en het gras niet als veevoer. Men hoeft zich dan niet aan de regels voor het scheuren van grasland te houden.

Op de pachter rust de verplichting om het gepachte per­soonlijk te gebruiken. Op zich mag de pachter an­deren inschakelen bij de exploitatie, maar hij dient wel de dagelijkse leiding te behouden. Wanneer de pach­ter hierin tekortschiet, is dit een grond voor de ver­pach­ter om de pachtovereenkomst te ontbinden. Dit blijkt uit onderstaande zaak, waarin de pachtkamer in hoger beroep het verzoek tot ontbinding van de over­eenkomst toewees.

Vader pachtte al geruime tijd 18,83 ha grond. In 1993 werd zijn zoon medepachter. De wijzigingsovereen­komst werd goedgekeurd door de Grondkamer. In 2009 werd een vennootschap onder firma opgericht met als vennoten vader, moeder, zoon en twee doch­ters. Per 31 december 2011 traden vader en moeder uit de vennootschap en werd het akkerbouwbedrijf voortgezet door de zoon en de dochters. In hoger be­roep vorderde de verpachter de pachtovereenkomst te ontbinden wegens tekortschieten.

De pachtkamer kwam tot de volgende tekortkomingen:

  • Vader had in 2009 het gebruik van de grond inge­bracht in een vennootschap zonder zich de zeg­gen­schap met betrekking tot de pachtpercelen voor te behouden;
  • Na het uittreden van vader uit de vennootschap was hij geen agrarisch ondernemer meer en was er daarom geen sprake meer van persoonlijk ge­bruik;
  • De zoon woonde op grote afstand van het bedrijf en had een drukke baan bij de bank. Voor werk­zaamheden op het bedrijf had hij daarom weinig tijd;
  • Er was een deelteeltovereenkomst afgesloten met een derde. Het overgrote deel van de werkzaam­heden werd door deze derde uitgevoerd. Slechts ondergeschikte werkzaamheden, zoals het ploe­gen, woelen en schoffelen werden door de ven­nootschap verricht. De vennootschap ontving een vaste vergoeding per hectare en droeg daarom geen teeltrisico. De verpachter had geen toestem­ming gegeven voor het grondgebruik door een derde. Een eenmalige onderverpachting kan vol­gens de pachtkamer onvoldoende zijn om een pachtovereenkomst te ontbinden, maar daarvan was hier geen sprake.

Uit al deze feiten trok de pachtkamer de conclusie dat bij zowel vader als zoon geen sprake was van per­soon­lijk gebruik van het gepachte. Beide waren tekortgeschoten in de nakoming van de pachtovereen­komst.

van de SDE+ voor hernieuwbare energie. Deze voor­jaarsronde wordt in drie fases opengesteld tot en met 2 april 2020, 17.00 uur. De opzet, techniek en catego­rieën zijn identiek aan de najaarsronde 2019 en staat open voor projecten die energie opwekken uit her­nieuwbare bronnen zoals wind, biomassa, zon, geo­ther­mie en water. De SDE+ subsidieert het verschil tussen de kostprijs van duurzame energie en ‘grijze’ energie. De regeling wordt veel gebruikt voor inves­teringen in zonnepanelen.

Sommige projecten konden in 2019 geen aanspraak maken op SDE+ door een negatieve transportindicatie bij hernieuwbare elektriciteit of ontbrekende vergun­nin­gen vanwege het stikstofbeleid. De extra openstel­ling geeft deze projecten de mogelijkheid een (nieuwe) aanvraag in te dienen.

Budget
Voor deze ronde is een budget van € 4 miljard be­schik­baar. Dit is het maximale bedrag dat in totaal tij­dens de looptijd van de projecten aan subsidie betaald kan worden. De werkelijke kasuitgaven hangen af van de marktwaarde van energie en de daadwerkelijke energieproductie. De SDE+-subsidie wordt uitgekeerd op basis van de werkelijke energieproductie.

Transportindicatie verplicht
Om capaciteitsproblemen op het elektriciteitsnet te beperken, is een positieve transportindicatie van de netbeheerder nodig voor een succesvolle aanvraag.

Aanvragen
Het is belangrijk de subsidieaanvraag in de juiste fase te doen, aangezien de hoogte van de subsidie en de voorwaarden per fase verschillen.

SDE+ vervangen door SDE++
Deze voorjaarsronde is de laatste onder de huidige SDE+-regeling. Dit najaar wordt deze omgezet en ver­breed naar SDE++ (Stimuleringsregeling Duurzame Energietransitie). Deze nieuwe regeling maakt het mo­gelijk om naast hernieuwbare energieproductie ook andere emissiereductietechnologieën te stimuleren. De SDE++-regeling is met name gericht op reductie van de CO2-emissie.

Bedrijfsmiddelen zoals sleuf- en mestsilo’s en erfver­harding (aanhorigheden) mogen niet langer afgeschre­ven worden tot de restwaarde. Investeringen in deze bedrijfsmiddelen moeten voortaan toegerekend wor­den aan de stallen. Tot dit oordeel kwam de Hoge Raad op 17 januari 2020 in een aantal procedures, welke waren aangespannen tegen de Belastingdienst. Het gevolg hiervan is dat die investeringen moeten worden betrokken in de afschrijvingsbeperking die vanaf 1 januari 2007 geldt voor bedrijfsgebouwen.

De conclusie is dat de afschrijving op sleuf- en mest­silo’s en erfverharding door de wetswijziging per 1 januari 2007 onder de Inkomstenbelasting is ingeperkt tot op 50% van de WOZ-waarde. Ondernemers in een BV mogen sinds 1 januari 2019 gebouwen in eigen gebruik zelfs niet langer onder de WOZ-waarde afschrijven.

De moeilijkheid daarbij is dat de desbetref­fende bedrijfsmiddelen vaak niet eenduidig aan één gebouw kunnen worden toegerekend. Een mestsilo kan wel tot meerdere gebouwen behoren. De vraag is dan hoe dit gesplitst en toegerekend moet worden. Dit heeft een administratieve lastenverzwaring tot gevolg.

Op 1 januari 2020 is een nieuwe ‘Regeling onwerk­baar weer’ in werking getreden. Als een buitengewone natuurlijke omstandigheid (bijv. vorst, sneeuw en over­vloedige regenval) zich voordoet én is voldaan aan de overige voorwaarden zoals beschreven in de regeling, kan een werkgever na het verstrijken van een aantal wachtdagen worden vrijgesteld van de loondoorbeta­lingsplicht. De regeling bestond al, maar er zijn per 1 januari 2020 een aantal wijzigingen doorgevoerd.

Wachtdagen
Bij vorst, ijzel en sneeuwval gelden twee wachtdagen per winterseizoen (1 november t/m 31 maart), bij over­vloedige regenval negentien wachtdagen per kalen­der­jaar). Tijdens de wachtdagen moet het loon ge­woon doorbetaald worden aan de werknemers. Nadat de wachtdagen zijn verstreken, kan men aanspraak maken op WW voor de werknemers bij onwerkbaar weer.

Melding per dag
De werkgever dient vanaf 1 januari op iedere dag waarop ten gevolge van buitengewone natuurlijke omstandigheden niet gewerkt kan worden, een melding te doen aan het UWV.

Voorwaarden melding
De werkgever moet gebruik maken van het door het UWV beschikbaar gestelde formulier. De melding dient in het geval van buitengewone natuurlijke om­stan­digheden waarvoor twee wachtdagen gelden vóór 10.00 uur in de ochtend te zijn ontvangen door het UWV.

CAO aanpassen
Indien men als werkgever gebruik wil maken van deze regeling, dient hier een artikel over te zijn opgenomen in de CAO. Daarnaast moet vanaf 1 november 2020 in de CAO aangegeven worden om welke weersomstan­dig­heden het gaat.

In het kader van de fosfaatgebruiksnormen kan in de Gecombineerde opgave aangegeven worden dat men gebruik wil maken van fosfaatreparatie (fosfaatarme- en fixerende gronden) en/of fosfaatdifferentiatie. Bij de percelen moet vervolgens de fosfaattoestand (P-AL of Pw-waarde) vermeld worden. Daarvoor moet de opga­ve tijdig worden ingediend: uiterlijk 15 mei. In de prak­tijk gebeurt het regelmatig dat deze gegevens niet of onvolledig worden ingediend. Wat zijn de gevolgen hiervan?

Fosfaatreparatie
Bij het niet aanvinken van de vraag over fosfaatrepa­ratie wordt deelname volledig uitgesloten.

Fosfaatdifferentiatie
Bij het niet aanvinken van de vraag over fosfaatdiffe­rentiatie wordt deelname niet uitgesloten als men wel de fosfaattoestand van de percelen invult.

Fosfaatdifferentiatie en controle gebruiksnormen
Bij het niet aanvinken van de vraag over fosfaatdif­ferentiatie en het niet of niet tijdig invullen van de fos­faattoestand van de percelen, maar de fosfaattoestand wordt later nog nagezonden, worden de gegevens niet meegenomen in de beoordeling van de gebruiksnor­men. Bij een overschrijding van de reguliere fosfaatge­bruiksnorm kan de boete gematigd worden. Alle gege­vens (vinkje, fosfaattoestand) kunnen nog tot 15 okto­ber via de Gecombineerde opgave worden ingestuurd.

Op klei- en veengrond mag geen bemester meer ge­bruikt worden die de drijfmest tussen het gras uitrijdt (sleepvoetverbod). Dit is alleen nog toegestaan als met water verdunde mest wordt uitgereden.

Voorwaarden
Voor het uitrijden van verdunde mest gelden de vol­gende voorwaarden:

  • De verhouding is minimaal één deel water en twee delen drijfmest (of vloeibaar zuiveringsslib). Bij con­trole moet men dit laten zien;
  • De mest wordt uitgereden in strookjes tussen het gras. De strookjes zijn niet meer dan vijf centimeter breed en de afstand tussen de strookjes is in elk geval vijftien centimeter;
  • Het bemestingssysteem is tot aan de grond geslo­ten.

Melden
Het uitrijden van verdunde mest dient van tevoren ge­meld te worden op mijn.rvo.nl. De ontvangstbevesti­ging van de melding moet getoond worden bij een controle.

Glastuinbouwbedrijven en samenwerkingsverbanden van glastuinbouwers die investeren in bepaalde ener­giebesparende maatregelen, kunnen tot en met 30 juni 2020 (17.00 uur) subsidie aanvragen via de regeling Energie-efficiëntie en hernieuwbare energie glastuin­bouw (EHG). Subsidie is mogelijk voor de volgende maatregelen:

(1) een tweede energiescherm;

(2) aansluiting op een warmtenetwerk of -cluster;

(3) aansluiting op een biogas- of kooldioxidenetwerk of -cluster;

(4) een luchtbehandelingssysteem.

Subsidiabele kosten
Men kan subsidie verkrijgen voor de kosten (excl. btw) die gemaakt zijn voor de aanschaf en installatie van nieuwe machines en apparatuur. Alleen kosten die in technische zin horen bij de levering en installatie van de investering zijn subsidiabel. De subsidie bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten en moet minimaal € 5.000 bedragen. Per maatregel geldt een maximaal subsidiebedrag.

Het kabinet heeft maandag 23 maart nieuwe maatregelen getroffen om de verdere verspreiding van het coronavirus in te dammen. Tot 1 juni worden alle bijeenkomsten in principe verboden. Veemarkten vallen niet onder dit verbod. Markten worden gezien als onderdeel van de voedselketen. Gemeenten en marktmeester moeten in de gaten houden of op markten de juiste voorzorgsmaatregelen worden genomen en mensen voldoende afstand van elkaar houden.

Op veemarkten gelden strikte hygiëneprotocollen. Handelaren gebruiken wegwerpjassen en handschoenen die op locatie worden verstrekt en ingenomen. Er is ook toezicht op het in acht houden van de anderhalve meter afstand tussen de aanwezige mensen.

bron: Boerderij Vandaag, 24/03/20

Wilt u naar aanleiding van deze nieuwsberichten graag agrarisch advies?

Neem dan snel contact op met onze agrarische adviseurs. Zij helpen u graag verder!

Bel nu